Ik wens…

Advies van de psy

Halve broers en boze stiefzussen

/ Door info psy.be / Kinderen

Halve broers en boze stiefzussen

Tachtig procent van de mensen heeft minstens één broer of zus door het toeval van geboorte. Veel meer mensen kennen echter het gevoel van broeder- of zusterschap. Beste vrienden noemen elkaar ‘broer’, adoptiegezinnen zijn niet minder hecht, nonnen zijn ‘zusters’ voor elkaar en een zielsverwant is ‘een bloedbroeder’. In onze taal en cultuur zijn tal van aanwijzingen te vinden dat broers en zussen meer zijn dan een biologisch gegeven. Tot het over nieuw samengestelde gezinnen gaat: dan zijn het plots ‘boze stiefzussen’ en maar ‘halve broers’. Kaat (34) begrijpt die minderwaardige behandeling van plus-broers en -zussen niet goed: ‘Als iemand me vraagt met hoeveel we thuis zijn zeg ik altijd: “ik heb twee broers en twee zussen”. Het komt nooit in me op mijn halfzus apart te vernoemen. Ze is helemaal niet minder mijn zus dan mijn volle zus. Tenminste, niet naar mijn gevoel. Maar ik moet toegeven dat ik daar ooit wel anders over gedacht heb.’ Voor professor-emeritus kinderpsychiatrie Frits Boer is de ervaring van Kaat heel herkenbaar. ‘Ook zonder bloedverwantschap kunnen kinderen uit nieuw samengestelde gezinnen perfect broer en zus worden. Maar het gaat niet automatisch, zoals bij biologische siblings. Aan de basis van een stief- of halfrelatie ligt immers altijd het trauma van echtscheiding: dat bepaalt niet alleen onze relatie met hen maar ook met de rest van het gezin.’

Een geluk bij een ongeluk
Echtscheidingen komen bijna altijd op een negatieve manier onder de aandacht. Nochtans betekenen ze voor
vijfentachtig procent van de gezinnen een tweede kans. Niet alleen voor de ouders, die opnieuw liefde vinden, maar ook voor de kinderen die er in veel gevallen broertjes en zusjes bij krijgen. Aan die aanwinst is meestal echter een lange lijdensweg voorafgegaan. De manier waarop die weg is afgelegd bepaalt mee hoe kinderen hun nieuwe siblings verwelkomen omdat het de verhouding tussen de natuurlijke broers en zussen vaak verandert. Een echtscheiding komt immers nooit uit het niets. Vaak wordt het gezinsleven al jaren beheerst door ruzies of afstandelijkheid tussen de ouders, en dat heeft ook effect op de kinderen. Een conflictueuze relatie tussen de ouders levert blijkens onderzoek steevast een conflictueuze relatie tussen de kinderen op. Tot er gescheiden wordt. Dan worden de grootste kemphanen plots de beste vrienden, vinden ze steun en troost bij elkaar, smeden ze plannen om hun ouders weer bij elkaar te krijgen. Mien (28) heeft in haar jeugd drie echtscheidingen van haar moeder meegemaakt. Achteraf houdt ze aan die periodes echter vooral leuke herinneringen over: ‘Als mama ging scheiden waren mijn zus en ik onafscheidelijk. We kropen samen in bed en hielpen elkaar met ons huiswerk en het huishouden. We waren ook dikwijls alleen thuis in die periodes: we vormden bijna een gezinnetje op zich.’ Een breuk bevordert in veel gevallen de solidariteit onder de kinderen. Die verbondenheid wordt echter danig op de proef gesteld van zodra de scheiding is uitgesproken. Want in veel gevallen komt de beslissing niet van twee kanten en voelt de ‘achtergelaten ouder’ zich zo ontredderd dat hij bij de kinderen gaat aankloppen voor troost. Meestal wordt de oudste daarvoor uitgezocht, wat de solidariteit tussen de kinderen niet ten goede komt. Maar ook ten aanzien van de ‘afwezige ouder’ duikt na een echtscheiding een nieuw soort rivaliteit op: de uithuizige ouder krijgt meestal slechts een beperkte tijd om met zijn kinderen door te brengen. Dat verscherpt de concurrentie tussen broers en zussen.

kersvers gezin
En dan komt het heuglijke moment waarop mama of papa een nieuwe partner vindt. Moeder of vader is zo weg van de nieuwe vlam dat hij of zij zich onmogelijk kan voorstellen dat de kinderen dat niet zullen zijn. Bovendien heeft de nieuwe partner ook kinderen, van dezelfde leeftijd dan nog. Het lijkt allemaal zo simpel dat niet veel later een kersvers gezin ontstaat, waarin twee werelden, twee opvoedingen, twee genenpools plots tegenover elkaar komen te staan. ‘Het samenstellen van een nieuw gezin gaat bijna altijd gepaard met een periode van conflicten’, aldus professor Boer. ‘Kinderen hebben een gewenningsperiode nodig van gemiddeld een jaar. Hoe ouder ze zijn bij de samensmelting, hoe langer ze nodig hebben.Hoe meer kinderen van dezelfde leeftijd, hoe zwaarder de conflicten.’ 

De verdeling van de kamers
Zo noemt kinderpsychiater Marcel Rufo het typische probleem van de kamerverdeling in het huis: wie krijgt welke kamer en wie moet zijn kamer delen? Veel kinderen beschouwen dat als een symbolische strijd. Sandra (31) zat al op kamers toen haar moeder met haar nieuwe vriend ging samenwonen. Toch ervaarde ze de herverdeling van de kamers in die periode als heel pijnlijk: haar nieuwe stiefzusje - toen 13 jaar - kreeg haar kamer, terwijl zij in het weekend bij haar zus op de kamer moest slapen. ‘Uit protest ben ik jaren niet meer thuis gaan slapen. Ik heb mijn moeder nog lang verweten dat ze mij “had omgeruild voor een tweedehands”.’ Stiefkinderen zijn in de ogen van hun broers of zussen in de eerste plaats gemene concurrenten om de aandacht van de ouders. Nog pijnlijker wordt het wanneer ze niet alleen aan de ouderlijke liefde raken, maar ook aan de broer-zusverhoudingen. Bij de samensmelting van gezinnen wordt de rangorde onder de kinderen immers vaak door elkaar geslagen. Zo wordt de oudste plots de tweede, de jongste de middelste, de middelste de oudste. Het verliezen van statuut van de ‘verantwoordelijke oudste’ of net ‘verwende jongste’ is vooral tijdens de puberteit erg verwarrend. Alle begin is moeilijk, maar het goede nieuws is dat conflicten tussen stiefbroers en -zussen sterk afnemen naarmate de kinderen meer tijd met elkaar doorbrengen. Een onderzoek aan de universiteit van Maryland wees uit dat stiefrelaties en biologische broer-zusrelaties na zes jaar nog amper van elkaar verschilden. Op één moment na: als de nieuwe ouders uit elkaar gingen bleken ook de relaties tussen stiefkinderen te verdwijnen als sneeuw voor de zon. Stiefbroers zijn dus alleen maar echte broers zolang de ouders echte partners zijn.

Een halve nakomer
Twee dingen dragen volgens Marcel Rufo extreem bij tot een goede verstandhouding in stiefgezinnen: samen eten en een extra baby. Eén keer per dag samen aan tafel zitten draagt enorm bij tot het familiegevoel. Maar pas als het nieuwe huwelijk bezegeld wordt met de komst van een halfbroertje of -zusje begrijpen stiefkinderen dat de zaak onomkeerbaar is en beginnen ze samen te spannen. Want vanaf dan zijn ze onvoorwaardelijk aan elkaar verbonden door hun gemeenschappelijk broertje of zusje. Voor de meeste kinderen is dat een welkome verandering, met grote uitzondering van enige stiefkinderen, die dan de oudste in de rij worden. Tom (40) is zo’n oudste eenling. Het huwelijk van zijn eigen ouders liep mis door de alcoholverslaving van zijn moeder. Zijn vader stichtte een paar jaar later een nieuw gezin, waaruit Tom twee jongere halfzussen heeft. Als kind weigerde hij zijn halfzussen te erkennen, nu hij ouder is heeft hij daar spijt van. ‘Het zal altijd tussen ons staan: zij komen uit het goede huwelijk, ik uit het foute verleden.’ Wat Tom echter het pijnlijkst vindt is dat hij goed genoeg weet dat zijn zussen helemaal niet zo over hem denken. ‘Ik ben niet met hun opgegroeid maar zij wel met mij. Ze hebben me altijd gekend als “hun grote broer” en zo behandelen ze me ook. Ze vinden het daarom moeilijk te begrijpen waarom ik niet meer inspanningen doe om tijd met hen door te brengen.’

De richting van het bloed
Halfkinderen gaan veel gemakkelijker dan stiefkinderen een volwaardige broer- of zusrelatie met elkaar aan maar de sterkte van de band is afhankelijk van de omstandigheden: hoe kleiner het leeftijdsverschil, hoe natuurlijker de band. Kinderen die voor de leeftijd van zes jaar halfzusjes of -broertjes krijgen zullen die veel vlotter aanvaarden als volwaardige siblings. De band wordt echter ook beïnvloed door de kant van waar het bloed komt: is het vader of moeder die de broertjes levert? Volgens Juliet Mitchell, professor psychoanalyse aan het Jezus College van Cambridge, hebben kinderen die enkel een moeder delen over het algemeen een betere band dan kinderen die enkel een vader delen. ‘Wellicht omdat kinderen na een echtscheiding nog steeds vooral bij de moeder terechtkomen en dus vaker onder hetzelfde dak leven met halfzussen en -broers’, schrijft ze in haar boek Siblings. Halfzussen en -broers die in hetzelfde gezin opgroeien blijken zich op alle vlakken gelijkaardig te ontwikkelen als ‘volle broers en zussen’. Behalve op één punt: ze hebben minder conflicten. ‘Hoe minder je op elkaar lijkt, hoe minder hard je moet opkomen voor je eigen unieke plaats in het gezin’, verklaart professor Boer. Is het nu half-, stief-, plus- of extra, broers en zussen zijn ze in elk geval. De context waarin ze elkaar ontmoeten kan verschillen en misschien lijken ze wel helemaal niet op elkaar, maar bloed of geen bloed, familie zijn ze toch. 

Een artikel van Tina De Gendt

afbeelding van psy.be

info psy.be

Avenue Jupiter 7 - 1450 Chastre
Gepubliceerde artikelen : 479